Monthly Archives: February 2024

Het KNIL als politieleger: waarheid of mythe?

Marc Lohnstein, assistent-conservator

Inleiding
In twee doctrinepublicaties van de Nederlandse krijgsmacht, de Leidraad Commandovoering uit 2000 en de Nederlandse Defensie Doctrine uit 2019 wordt het Koninklijk Nederlands Indisch Leger (KNIL), bestempeld tot een koloniaal-konstabulair beroepsleger.’[1]

Een brigade bestaande uit inheemse militairen onder een Europees sergeant brigadecommandant op een sawahdijk gereed om een aanval met blanke wapens af te slaan. Circa 1935. Voor een met vuurwapens bewapende tegenstander was deze gesloten formatie duidelijk minder geschikt. Collectie NIMH 2155_022739.

Na de veroveringen in de negentiende eeuw werd het KNIL namelijk ingezet voor het behoud van orde en rust in Nederlands-Indië.’[2]

Het ontwikkelde een eigen doctrine voor het bestrijden van antikoloniaal verzet. Deze aanpak was een contraguerrilla, waarbij kleine eenheden bestaande uit Indonesische militairen onder Europees kader zelfstandig optraden tegen Indonesische verzetslieden. Deze doctrine werd vastgelegd in het Voorschrift voor de uitoefening van de Politiek-politioneele Taak van het Leger, afgekort het V.P.T.L.

De Leidraad definieert een koloniaal-konstabulair leger als een leger dat zich richt op ’het behoud en zo nodig herstellen van de binnenlandse rust en orde.’ Dit werd de politiek-politionele taak van het leger genoemd.’[3]

Ook wordt de term politieleger gebruikt: een leger dat zich primair of uitsluitend richt op de interne veiligheidstaak en daarmee op de handhaving van de bestaande staatkundige status quo. In een koloniale context dus het instandhouden van de Nederlandse kolonie tegen bedreigingen door de gekoloniseerde Indonesische bevolking.

In dit blog wordt betoogd dat de opvatting dat het KNIL een politieleger was, onjuist is. Het is een mythe die een eenzijdig, onvolledig en tijdsgebonden beeld heeft van het koloniaal leger. Het KNIL opereerde zowel tegen de ’Inlandse Vijand’ (I.V.) als tegen een ’Buitenlandse Vijand’ (B.V.). Bij beide tegenstanders ging het Indische Leger uit van een conventioneel conflict, waarbij grote samengestelde eenheden werden ingezet. Contraguerrilla campagnes dienden zoveel mogelijk te worden vermeden. Het koloniaal militair optreden was er op gericht het conflict conventioneel en zo snel mogelijk te beslissen met een ‘shock and awe’ strategie.

Een contraguerrilla met kleine eenheden voerde het KNIL met name in de afsluitende fase van de zogenaamde pacificatie, rond 1895-1914, en van 1914 tot 1940. Maar ook gedurende deze periode bereidde het koloniale leger zich voor op een interstatelijk conflict. Hierdoor is de aanduiding politieleger voor het KNIL feitelijk niet juist.

Het KNIL volgens de doctrinepublicaties
In de Leidraad Commandovoering LD I uit 2000’[4] wordt in hoofdstuk 2 de historische ontwikkeling van de commandovoering in het Nederlandse en het Indische Leger beschreven.[5]

Het Indische Leger was na de veroveringsoperaties in de 19de eeuw een koloniaal-konstabulair beroepsleger met als taak de handhaving van orde en rust in de koloniën. Een aanval van een Europese koloniale tegenstander kreeg minder aandacht. Deze werd onwaarschijnlijk geacht. Conventioneel optreden maakte bij het Indische Leger in Atjeh plaats voor een contraguerrilla. Deze omschakeling werd belichaamd in het in 1890 opgerichte Korps Marechaussee. Deze elite-eenheid bestond uit Indonesische militairen onder Europees kader. De kleine eenheden ter grootte van minimaal een brigade (15 man) brachten de oorlog naar de verzetspartij in de vorm van achtervolgingen, hinderlagen en overvallen. Het optreden stond vervolgens model voor de gehele infanterie van het Indische Leger. Als doctrine werd deze contraguerrilla vastgelegd in het Voorschrift voor de uitoefening van de politiek-politioneele taak van het leger.

Frictie, het verschil tussen planning en werkelijkheid, werd niet bestreden met gedetailleerde bevelen zoals bij het Nederlandse leger. Het V.P.T.L. gaf de patrouillecommandant de vrijheid zonodig van de opdracht af te wijken. De commandovoering was volgens de schrijver daarmee decentraal en opdrachtgericht. De omschakeling van de contraguerrilla naar een conventionele oorlogsvoering tegen Japan mislukte in 1942. Gezien de uitkomst van die strijd werd de commandovoering als negatief beoordeeld. De aard van de commandovoering werd daarbij echter niet uitgewerkt.

Een brigade van het Korps Marechaussee in Atjeh en Onderhorigheden met de brigadecommandant sergeant G. Götz. Een opname uit september 1906 ter gelegenheid van een langdurige patrouille in Pedië (noordkust van Atjeh), waarbij op 29 maart 1906 de oelama teungkoe di Tjot Tjitjiëm en elf van zijn volgelingen sneuvelden. Voor deze actie kreeg Götz de Militaire Willemsorde 4de klasse. Particuliere collectie.

De Nederlandse Defensie Doctrine uit 2019 (NDD 2019) herhaalde het betoog uit de Leidraad. De historische inleidingen in de NDD 2019 zijn geschreven door Dr. A. ten Cate, verbonden aan het Nederlands Instituut voor Militaire Historie (NIMH). Het KNIL zou volgens hem een eigen doctrine hebben ontwikkeld ’die ter bestrijding van het antikoloniale verzet vooral de contraguerrilla centraal stelde’. Daarbij zou het KNIL in kleine mobiele eenheden van Indonesische militairen onder Nederlandse officieren met lichte bewapening succesvol zijn geweest tegen irreguliere tegenstanders. De contraguerrilla werd vastgelegd in het V.P.T.L. Deze doctrine werd in 1948 tijdens de Indonesische Onafhankelijkheidsoorlog vernieuwd, maar raakte na 1949 ’in het ongerede’.’[6]

De doctrinepublicaties onderbouwen hun visie op het KNIL met drie punten:

  1. bestrijding van antikoloniaal verzet
  2. toepassing van contraguerrilla (mobiel optreden in kleine eenheden met lichte bewapening)
  3. decentrale opdrachtgerichte commandovoering.

Daarmee was, betogen de schrijvers, het KNIL een koloniaal-konstabulair beroepsleger cq. politieleger. Ik zal deze drie argumenten achtereenvolgens bespreken.

Antikoloniaal verzet
Laten wij beginnen met de taakstelling van het Nederlandse koloniale leger. Vanaf het begin van de negentiende eeuw was deze tweeledig. In 1814 adviseerde een ’militaire commissie betrekkelijk eene militaire magt op Java’ over de militaire herbezetting van Oost-Indië. Deze militaire commissie, ook wel de commissie-Janssens genoemd, baseerde haar advies op een geïntegreerde dreigingsanalyse. De commissie constateerde het bestaan van een maritieme bedreiging van een niet met name genoemde Europese tegenstander. Gedacht werd aan het Verenigd Koninkrijk. De commissie ging niet uit van een mogelijke veroveringsaanval. Wel diende de kolonie rekening te houden met een coup-de-main, een lokale verrassingsaanval. Daarnaast werd de mogelijkheid van een grootschalig gewapend conflict met Indonesische vorsten onderkend. Het leger moest voldoende sterk zijn om beide bedreigingen het hoofd te kunnen bieden. Java werd gezien als het middelpunt van de verdediging. Het verlies van Java zou automatisch het verlies van alle andere eilanden in de archipel betekenen.’[7]

De commissie-Janssens had hiermee feitelijk een defensiedoctrine geschreven. Ondanks wijzigingen in 1838 en 1853 bleven gedurende de negentiende eeuw de uitgangspunten nagenoeg onveranderd.

Het Indische Leger in gevecht bij Katagan tijdens de Javaoorlog (1825-1830). Uit: Kepper, G.L., Wapenfeiten van het Nederlandsch-Indisch Leger, ‘s-Gravenhage, Getekend door J.P. de Veer.

Te midden van een hernieuwde Europese expansie, tijdens het moderne imperialisme aan het eind van de negentiende eeuw, werden in 1892 voor Nederlands-Indië nieuwe defensiegrondslagen geformuleerd. Deze defensiedoctrine ging uit van een gewapend conflict van Nederland met een buitenlandse mogendheid. De doctrine hanteerde twee scenario’s. Eén scenario ging uit van een coup-de-main, een verrassingsaanval door een buitenlandse mogendheid met beperkt doel, tegen een kustplaats. De meest waarschijnlijke doelen waren Batavia (Jakarta) en Surabaya, met in mindere mate Semarang en als laatste Cirebon (Cheribon). Het tweede scenario voorzag in een veroveringsoorlog, een vijandelijke aanval met als doel de verovering van geheel Java.’[8]

Deze defensiedoctrine werd in 1927, na een lange discussie, vervangen. De Defensiegrondslagen van 1927 braken op twee punten met de oude doctrine. De taak van het leger was niet langer de verdediging van Nederlands-Indië maar van orde- en neutraliteitshandhaving. De tweede wijziging was dat de neutraliteitshandhaving zich niet langer beperkte tot Java. De zogenaamde Buitengewesten, de eilanden buiten Java en Madoera, werden in de doctrine opgenomen. Dit was het gevolg van een nieuwe dreigingsanalyse. De geopolitieke situatie was fundamenteel gewijzigd door de oprichting van de Volkenbond en de uitkomst van de Vlootconferentie van Washington van 1921/1922. Een militair conflict tussen de grote mogendheden in Azië werd daardoor zeer klein geacht. De sterkte verhoudingen tussen de vloten van Groot-Brittannië, de Verenigde Staten, Japan, Frankrijk en Italië werden vastgesteld en de status quo in de Stille Oceaan gegarandeerd.’[9]

De Defensiegrondslagen van 1927 borduurden hierop voort en gingen niet langer uit van een veroveringsoorlog, maar hoogstens van een coup-de-main, een verrassingsaanval met een beperkt doel. De primaire taak van het leger werd het verzekeren van de binnenlandse orde, rust en veiligheid. Als secondaire taak restte hoogstens neutraliteitshandhaving. Het KNIL moest zich, in het kader van die taak, richtten op de verdediging van de havens Surabaya en Batavia (Jakarta) op het hoofdeiland Java. De focus lag daarbij op Oost-Java, in casu de marinebasis Surabaya. Deze analyse sloot goed aan bij de nodig geachte bezuinigingen. Dit was te bereiken met inkrimping en reorganisatie van het leger tot een politieleger.[10]

Met de Defensiegrondslagen 1927 werd de focus verlegd van defensie naar neutraliteitshandhaving. Voor het KNIL betekende dit op het eerste gezicht een wijziging van een mogelijk interstatelijk naar een intrastatelijk conflict, van defensie naar ordehandhaving. De focus van de verdediging verschoof van West-Java naar Oost-Java met de vlootbasis Surabaya.

De Defensiegrondslagen 1927 komen daarmee het dichtst bij een koloniaal-konstabulair leger uit de Doctrinepublicaties, ware het niet voor de secundaire taak. Deze neutraliteitshandhaving vroeg namelijk om een defensieleger, conventioneel georganiseerd en bewapend om een coup-de-main door een buitenlandse strijdmacht af te kunnen slaan. Het KNIL onderschreef daarnaast de militair-strategische analyse als basis van de Defensiegrondslagen 1927 niet. De Washington Conferentie had met het verbod op de aanleg van maritieme steunpunten in het westelijk deel van de Stille Oceaan volgens de Indische legerleiding het strategisch belang van Nederlands-Indië alleen maar versterkt. In het geval van een oorlog in de Stille Oceaan moest Nederlands-Indië gezien de vlootbasis Surabaya en de olievindplaatsen daarom ernstig rekening houden met een veroveringsoorlog gericht tegen Java. Dat Nederlands-Indië zich uitsluitend moest wapenen tegen kleine neutraliteitsschendingen vond het KNIL strategisch gezien onjuist. De Indische defensie ging niet om neutraliteitshandhaving, maar om defensie.

Het KNIL ontwikkelde op basis van deze strategische analyse een eigen offensief-defensieve doctrine. Deze doctrine hanteerde het concept van indirecte verdediging met behulp van het luchtwapen. In 1923 stelde de kapitein van de Generale Staf H. Behrens, het hoofd van de Waarnemersschool van de Luchtvaartafdeling, voor het zwaartepunt van de verdediging bij het luchtwapen te leggen. Hij ging daarbij uit van een verdediging in de diepte. Het luchtwapen vormde de eerste verdedigingslinie en moest een vijandelijke transportvloot de doortocht naar Java beletten. De vloot vormde de tweede linie en de landmacht de derde. In het begin van de jaren dertig werd dit idee een zelfstandig operationeel concept: kustverdediging met horizontale bommenwerpers.’[11]

Twee horizontale middelzware bommenwerpers Glenn Martin 139 WH-2 met de registratie M514 en M539. Aangeschaft in 1937. Collectie Bronbeek.

Doctrinair bleef het KNIL dus gericht op de twee oorspronkelijke taken: defensie en ordehandhaving. Officieel waren de Defensiegrondslagen 1927 van kracht, maar in de praktijk bereidde het KNIL zich voor op een conventioneel grootschalig conflict met een buitenlandse vijand. Vanaf 1936 werd hiervoor de financiële basis gelegd met jaarlijkse structurele verhogingen van het defensiebudget.

De Defensiegrondslagen 1927 gingen er feitelijk vanuit dat Nederlands-Indië met de eigen middelen niet te verdedigen was tegen een buitenlands conflict. In dat geval rekende het op de hulp van een buitenlandse bondgenoot of bondgenoten.’[12]

Contraguerrilla
Wat de strijd tegen de I.V. (’Inlandse Vijand’) betreft had deze niet uitsluitend het karakter van een guerrilla-oorlog. Het was het Indische Leger er juist alles aan gelegen een guerrilla te vermijden. Het zocht bij een gewapend conflict de confrontatie in een beslissend gevecht en/of de verovering van de hoofdstad en de gevangenneming van de vorst. Ontaardde de strijd toch in een guerrillastrijd dan bestond het operationeel optreden in de aanleg van versterkte posten, optreden tegen de bestaansmiddelen van de verzetplegende bevolking en het actief achtervolgen van verzetsgroepen en hun leiders. Daarbij werd lange tijd opgetreden in grote tactische formaties van infanterie ter sterkte van een of meerdere bataljons met hulpwapens als artillerie en zo mogelijk cavalerie. Grootschalige expedities vonden nog plaats in Atjeh in 1901 (Samalanga), in 1905 tegen Bone en Luwu op Sulawesi (Celebes) en in 1906 tegen Bali. Tegelijkertijd vond ook de in de doctrinepublicaties genoemde contraguerrilla met de inzet van kleine mobiele eenheden vond plaats.

Gevecht bij Pametjoetan op 20 september 1906 tijdens de 5de expeditie naar Bali. Deze Bali-expeditie was een grootschalige militaire operatie met drie bataljons infanterie met hulpwapens en dragers met een totale sterkte van 3.145 man en 2.189 man van de Nederlandse Marine. De expeditie was gericht tegen de zelfbesturen (semi-onafhankelijke staten) Badoeng en Tabanan. Deze vorstendommen werden na de expeditie onder rechtstreeks bestuur gebracht. Collectie Bronbeek NL-AhKTOMMBB 1973/04/09-2-2.

Het V.P.T.L. uit 1924 wordt in de doctrinepublicaties een contraguerrilla-doctrine genoemd. Het V.P.T.L. was dat echter niet. Het was een tactische handleiding voor infanteriepatrouilles in verzetsgebied. De historicus Teitler constateerde dit al in zijn artikel uit 2001 in de Militaire Spectator.’[13]

Organisatiestructuur en bewapening
De Defensiegrondslagen 1927 stelden: ’Voor zover de infanterie op Java is gelegerd, wordt zij georganiseerd, bewapend en uitgerust, alsmede versterkt met hulpwapens en diensten, voor de neutraliteitshandhaving’.’[14]

De organisatie en bewapening van het KNIL passen niet in het beeld van een koloniaal-konstabulair leger. Het Indische Leger was langs conventionele, westerse lijnen georganiseerd. Het bestond uit infanteriebataljons, artillerie-eenheden, eskadrons cavalerie, compagnieën genietroepen, militaire administratie en een militair geneeskundige dienst. In 1873/76 volgde de vorming van een centraal planningsorgaan in de vorm van de Generale Staf.’[15]

De infanterie van het Indische Leger kende een tweedeling in veldbataljons en garnizoensinfanterie. De veldbataljons waren Europees georganiseerd in een staf en zes, later vier compagnieën. Deze waren voornamelijk op Java gelegerd met primair als taak verdediging tegen een buitenlandse vijand en secondair ordehandhaving. De garnizoensinfanterie bestond uit bataljons en compagnieën, die vervolgens detachementen leverden voor met name de zogenaamde Buitengewesten, de eilanden buiten Java en Madura. De primaire taak was ordehandhaving.
In 1890 werd in Atjeh het Korps Marechaussee opgericht. Dit korps ontwikkelde zich tot lichte infanterie gespecialiseerd in contraguerrilla. Het Korps werd georganiseerd in divisies, die weer verdeeld waren in brigades. Een brigade marechaussee telde aanvankelijk 18 man.’[16]

Op Java werden twee marechausseebataljons opgericht met eveneens een interne veiligheidstaak.’[17]

Voor de strijd tegen een buitenlandse vijand werd in 1891 een voorlopige oorlogsformatie geaccordeerd. Deze formatie voorzag na mobilisatie in de vorming op Java van een apart hoofdkwartier naast het Departement van Oorlog en de vorming van grotere operationele eenheden: een divisie van twee brigades voor de Stelling Batavia, een brigade voor de Stelling Semarang en een brigade voor de Stelling Soerabaja.’[18]

Vanaf 1906 werden veldbataljons al in vredestijd samengebracht in hogere verbanden: de gemengde brigade.’[19]

Vier brigades werden opgericht, bestaande uit:

  • Staf
  • vier infanteriebataljons
  • een mitrailleurcompagnie (vier of drie sectiën (pelotons) à twee mitrailleurs M.12 Schwarzlose)
  • een eskadron cavalerie (zogenaamde brigadecavalerie)
  • een afdeling veld- of bergartillerie (twee batterijen van elk vier vuurmonden)
  • ½ Veldcompagnie genietroepen
  • Algemene trein van de Brigade.[20]

Oefeningen toonden de noodzaak aan van het samenvoegen van enige brigades onder een hogere commandant. In 1922 werd daarom de brigade vervangen door het divisie- en regimentsverband. Op Java werden twee divisies geformeerd.’[21]

Het Javaleger werd in 1932 als gevolg van de Defensiegrondslagen 1927 en bezuinigingen gereorganiseerd. In oorlogstijd zou uit de vier regimenten infanterie een zogenaamde Neutraliteitsgroep bestaande uit een divisie van drie regimenten met het Detachement Soerabaja van een divisie van een regiment worden geformeerd. Daarnaast een groep voor het handhaven van orde en rust en een kleine groep om eventueel in de Buitengewesten op te treden.’[22]

Een divisie bestond in 1941 uit:

  • divisiestaf
  • een regiment infanterie á 3 infanteriebataljons, een gemotoriseerde infanteriecompagnie en een afdeling Pantser- en Luchtafweer
  • een eskadron cavalerie
  • een afdeling artillerie á 3 batterijen á 4 stukken
  • een compagnie genietroepen
  • Divisie Autotrein (Militaire Motordienst)
  • Hoofdverbandplaatsafdeling (Militair Geneeskundige Dienst).

Het KNIL op Java, het zogenoemde Javaleger, was daarmee een defensieleger bestaande uit samengestelde eenheden dat geschikt was voor een conventioneel conflict met een buitenlandse vijand. De term politieleger was met name van toepassing op de garnizoensinfanterie en de marechaussee (Korps en bataljons). Daarbij was de term politieleger ook uitsluitend van toepassing in de periode 1914-1940. Na 1914 was van grootschalig verzet van Indonesische vorstendommen geen sprake meer. De periode eindigde in 1940 toen ook de troepen in de Buitengewesten de verdediging tegen de buitenlandse vijand als primaire taak kregen.’[23]

De bewapening van het Indische Leger ging dat van een politieleger ver te boven. Het Indische leger werd tussen medio 1897 en 1899 bewapend met het repeteergeweer Model 95 (Mannlicher) kaliber 6,5 x 53,5 millimeter met bajonet. Voor expedities in de Buitengewesten werd vanaf 1905 de infanterie eerste tijdelijk en vanaf 1911 permanent uitgerust met de zogenaamde marechaussee-bewapening. Deze bewapening van het Korps Marechaussee bestond uit de repeteerkarabijn M.95 (Mannlicher) kaliber 6,5 x 53,5 millimeter en de marechaussee-sabel (klewang). Het KNIL beschikte feitelijk over twee gescheiden infanteriebewapeningen: de marechaussee-bewapening (karabijn M.95 met klewang) en de fuselier-bewapening (geweer M.95 met bajonet).’[24]

Vurend stuk Bofor 10,5 cm Ld (luchtdoel). In 1932 werden 4 stukken ter beproeving aangeschaft. Collectie Bronbeek NL-AhKTOMMBB 2000/01/31-1-89/7s

De infanterie werd vanaf 1912 geleidelijk van moderne bewapening voorzien. Deze bewapening werd in de loop van de jaren lager in de organisatie ingevoerd. In 1912 werden middelzware mitrailleurs ingevoerd. Bij elk van de vier nieuwe gemengde brigades werd een mitrailleurcompagnie ingedeeld bewapend met de mitrailleur Schwarzlose met kaliber 6,5 x 53,5 mm. In 1917 werd op bataljonsniveau bij de staf een sectie geweermitrailleurs Madsen M.15 kaliber 6,5 mm geformeerd. Dit vuurwapen werd in 1925 op sectieniveau (peloton) lager in de organisatie opgenomen.

De infanterie van het Javaleger werd conform de Defensiegrondslagen 1927 ten behoeve van de neutraliteitshandhaving bewapend en uitgerust met moderne wapens en versterkt met hulpwapens en diensten. De mitrailleurcompagnieën werden in 1933 met toevoeging van mortieren gereorganiseerd in gemotoriseerde afdelingen Mitrailleurs en Infanteriegeschut. Deze vuursteuneenheden functioneerden op regimentsniveau. In 1940 volgden een nieuwe reorganisatie waarbij de afdelingen Mitrailleurs en Infanteriegeschut werden omgevormd tot gemechaniseerde en gemotoriseerde afdelingen Pantser- en Luchtafweer (PLA). De PLA werd uitgerust met pantserafweergeschut en zware mitrailleurs tegen luchtdoelen. Ook lichte mitrailleurs deden hun intreden: in 1915. De middelzware mitrailleur werd in 1934 op bataljonsniveau ingezet. Vanaf 1939 samen met een mortier peloton als mitrailleurcompagnie (feitelijk ondersteuningscompagnie).’[25]

Twee Vickers Carden Loyd Light Tanks van de in 1937 opgerichte Proefafdeling Vechtwagens. In 1939 volgde orders voor 118 vechtwagens. Collectie Bronbeek NL-AhKTOMMBB 1996/03/01-3-1/3

De mechanisatie vond na een succesvolle proefneming in 1939 plaats met de aankoop van vechtwagens (tanks). De cavalerie kreeg de beschikking over pantserauto’s en in 1941 werden de bereden (paarden) eskadrons op één na gemotoriseerd. Bij de artillerie werd een Korps Luchtdoelartillerie opgericht en uitgerust met modern luchtdoelgeschut. Het KNIL reorganiseerde vanaf 1936 de luchtvaartafdeling met de aankoop van moderne middelbare horizontale bommenwerpers. Vanaf 1940 gevolgd door moderne jachtvliegtuigen.’[26]

Eind 1941 een gemotoriseerd eskadron cavalerie (waarschijnlijk Cav 2 te Bandoeng) bestaande uit een commandogroep met radiowagen, twee jeep pelotons uitgerust met Ford GP jeeps en motoren, een peloton pantserauto’s met vier M3A1 (pau W) White Scout Cars en drie AC3D (pau S) Alvis-Strausslers en een gevechts- en bagagetrein (logistiek element). Nationaal Archief, 2.24.04.02, inv.nr. 8563.

Met deze bewapening was het KNIL een volwaardig defensieleger. Deels modern uitgerust voor een interstatelijk conflict: dus een conventioneel conflict met een Buitenlandse Vijand.

Het KNIL, ook de troepen van het Javaleger, hield geregeld zogenaamde V.P.T.L.-oefeningen. Daarnaast omvatte het oefenprogramma van het KNIL op Java ook zogenaamde B.V.-oefeningen. Oefeningen waarin het zich voorbereidde op een mogelijk interstatelijk conflict. Vanaf 1903 oefenden op Java de veldtroepen eventueel gezamenlijk met troepen van andere wapens meerdere dagen buiten de garnizoenen. Aanvankelijk was dit gericht op het inrichten van een bivak, het voorzien van eigen verpleging en grote oefenmarsen. Vanaf 1907 werden dit grotere veldoefeningen. Het tweede scenario van de Defensiegrondslagen 1892 was het uitgangspunt van gecombineerde grootschalige meerdaagse veldoefeningen die in 1911 plaatsvonden. De eerstvolgende manoeuvres waren die van 1915 en volgende jaren.’[27]

Vanaf 1923 vonden in principe jaarlijks meerdaagse regimentsoefeningen van de infanterie onder leiding van de divisiecommandant plaats. Hieraan namen artillerie-, cavalerie- en genie-eenheden evenals vliegtuigen deel. Het KNIL organiseerde ook mobilisatie-oefeningen.’[28]

Het KNIL, bedoeld wordt het Javaleger, oefende zich aldus in samengestelde eenheden voor een conventioneel conflict met een buitenlandse vijand.

Commandovoering
In de Leidraad Commandovoering wordt commandovoering bij het KNIL beschreven op basis van het V.P.T.L. Het KNIL streed in kleine mobiele licht bewapende eenheden tegen irreguliere verzetsgroepen. De commandovoering was toegesneden op dit optreden met veel handelingsvrijheid op lager uitvoerend niveau. Daarmee was deze volgens de schrijvers decentraal en opdrachtgericht. Het V.P.T.L. deed daarbij recht aan het militaire fenomeen frictie – het verschil tussen planning en werkelijkheid.’[29]

Volgens het V.P.T.L. vonden opdrachten in het kader van de politiek-politionele taak plaats in de vorm van militaire bijstand en op verzoek van het burgerlijke bestuur. Dat de opdracht gaf aan de detachementscommandant. De technische uitvoering berustte bij de detachementscommandant. Deze instrueerde op zijn beurt de patrouillecommandant. Volgens de ‘rules of engagement’ was in het algemeen alleen op verzoek van het burgerlijk bestuur wapengebruik toegestaan. De patrouillecommandant mocht op eigen gezag van de wapens gebruikmaken wanneer de patrouille werd aangevallen of in de uitvoering van de opdracht gewelddadig werd gehinderd. De opdracht moest de te volbrengen taak of het te bereiken doel bevatten en de noodzakelijke inlichtingen voor de uitvoerder. De patrouillecommandant mocht alleen ter plaatse van de letterlijke opdracht afwijken als het niet mogelijk was deze uit te voeren en het vragen van nadere bevelen gezien de tijd of gelegenheid niet mogelijk was.’[30]

De Chef Generale Staf, kolonel R. Bakkers, op het Departement van Oorlog in december 1941, zittend achter zijn bureau met staand zijn naaste medewerkers. Links luitenant-kolonel W.P. van Veen, Sous-Chef, en in het midden luitenant-kolonel P.G. Mantel, Hoofd Sectie III (Defensie). Uit Geeft Acht: orgaan van de Weermacht, 2 (1941).

De commandovoering zoals verwoord in het V.P.T.L. is dus zeker niet synoniem aan de hedendaagse opdrachtgerichte commandovoering (Auftragtaktik). Bij opdrachtgerichte commandovoering bepaalt de commandant zijn oogmerk (intentie) en communiceert deze vervolgens. Het uitvoerende niveau krijgt de maximale handelingsvrijheid.’[31]

Volgens het V.P.T.L. mocht echter alleen in uitzonderingsgevallen van de patrouille-opdracht worden afgeweken. Van een maximale vrijheid van handelen was geen sprake. De commandovoering bij het KNIL was daarmee hiërarchisch en directief te noemen.

Na de nederlaag tegen Japan in 1942 constateerde een kapitein: ‘men bedisselde, regelde alles, liet ook hier weinig over aan gezond verstand en het initiatief ontwikkelde dit dus ook niet.‘ Bij een bataljonsoefening gaf de bataljonscommandant aan dat ‘de controle op zijn bevelsuitgifte hem noopte tot hopelooze vertraging op een moment, dat hij met 3 woorden een ieder had willen dirigeren daar waar hij nodig was.’ Een kapitein die dacht aan een enkele woord voldoende te hebben, kreeg van een generaal te horen ‘dat hij punctueeler moest bevelen.’’[32]

Conclusie
Het KNIL was geen koloniaal-konstabulair leger met een opdrachtgerichte commandovoering zoals in de doctrinepublicaties wordt beschreven. Deze term is hoogstens van toepassing op de garnizoensinfanterie en marechaussee en dan alleen voor de periode 1914-1940. Het koloniale leger had vanaf 1816, de herbezetting van voormalige Nederlandse bezittingen in de Indonesische archipel, een tweeledige taak: strijd tegen de Inlandse Vijand (I.V.) en de Buitenlandse Vijand (B.V.). Tot begin 20ste eeuw stond de strijd vooral in het teken van die tegen de zogenaamde I.V. Daarbij was enerzijds sprake van uitbreiding van het Nederlandse koloniale gezag en anderzijds handhaving van dat gezag. De eerste taak omvatte het voeren van oorlogen tegen onafhankelijke inheemse staten met als doel erkenning van het Nederlandse oppergezag en/of totale onderwerping. Een als politieleger georganiseerde en bewapende strijdmacht zou tegen de verschillende binnenlandse vijanden niet doelmatig zijn geweest. Dat veranderde na 1914 toen de laatste grote verzetshaarden werden uitgeschakeld.

Qua doctrine, organisatie en bewapening was het KNIL een Europees georiënteerd leger met een tweeledige taak: koloniale expansie en beheersing van het veroverd gebied en verdediging tegen een buitenlandse vijand. Het leger was georganiseerd in grote infanterie-eenheden, het bataljon was lange tijd de kern, met hulpwapens als artillerie en cavalerie. Deze eenheden waren van moderne wapens voorzien. In de twintigste eeuw werd de vuur- en gevechtskracht verder verhoogd met mitrailleurs, model geschut en pantserauto’s, tanks en moderne vliegtuigen. In jaarlijkse grootschalige meerdaagse oefeningen bereidde het KNIL zich met samengestelde eenheden voor op een conventioneel interstatelijk conflict. Ook al was volgens de Defensiegrondslagen 1927 de handhaving van orde en rust de primaire taak geworden, de defensietaak bleef in de vorm van neutraliteitshandhaving behouden.

De opvatting dat de commandovoering in het Indische Leger werd gedomineerd door de contraguerrilla en daarmee opdrachtsgericht, houdt geen stand, zelfs niet voor de periode rond 1900. De handelingsvrijheid bleef beperkt en de bevelvoering hiërarchisch en directief.

Met dank aan Thijs Janssen en Mark Loderichs voor hun waardevolle opmerkingen op eerdere versies van dit blog.

Noten

[1] Leidraad Commandovoering, LD I, Koninklijke Landmacht, ‘s-Gravenhage 2000, 14-15 en Nederlandse Defensie Doctrine, Defensiestaf 2019, 9.

[2] Het KNIL was vanaf 1908 ook actief in Suriname, maar dat blijft in deze publicaties verder buiten beschouwing.

[3] Leidraad Commandovoering, LD I, Koninklijke Landmacht, ‘s-Gravenhage 2000, 14-15.

[4] Leidraad Commandovoering, LD I, Koninklijke Landmacht, ‘s-Gravenhage 2000, 9-23.

[5] In de Joint Doctrine Publicatie 5. Commandovoering uit 2010 ontbreekt dit historisch perspectief.

[6] Nederlandse Defensie Doctrine, Defensiestaf 2019, 9.

[7] Rapport eener militaire kommissie aan den soevereine vorst der Vereenigde Nederlanden, Tijdschrift voor Nederlandsch-Indië 15 (1853) tweede deel, 100-101 en 105-108.

[8] NL-HaNA, Koloniën, 1850-1900, 2.10.02, inv.nr. 6211, V.erbaal 1 juni 1892 Kabinet Z7, brief minister van Koloniën en minster van Marine aan Koningin-Weduwe Regentes, ’s-Gravenhage 1 juni 1892, kabinet Z7 en Rapport betreffende de Defensie van Nederlandsch-Indië, 23 april 1892, scan 139-172 en NL-HaNA, Koloniën, 1850-1900, 2.10.02, inv.nr. 6212, Verbaal 26 augustus 1892 P12, kabinetsrescript ’s-Gravenhage, 12 juli 1892 no. 16, scan 611.

[9] Petra Groen e.a., Krijgsgeweld en kolonie. Opkomst en ondergang van Nederland als koloniale mogendheid, 1816-2010, Boom, Amsterdam 2021, 261-262.

[10] Teitler, G., Het KNIL en de Indische defensie, Teitler, G. red., De val van Nederlands-Indië, De Bataafsche Leeuw, Dieren 1982, 42-44 en Bakkers, R., Het Koninklijk Nederlands-Indische Leger voor en gedurende zijn strijd tegen de Japanse invasie, typoscript z.p., z.j. [1947], 2-7.

[11] Lohnstein, Marc, The Netherlands East Indies Campaign 1941-42; Japan’s Quest for Oil, Osprey Publishing Oxford 2021, 31 en Behrens, H., De Defensie van Nederlandsch-Indië is in de eerste plaats de taak eener luchtmacht, Indisch Militair Tijdschrift 54 (1923), 275-283.

[12] Teitler, G., Het KNIL en de Indische defensie, Teitler, G. red., De val van Nederlands-Indië, De Bataafsche Leeuw, Dieren 1982, 42-44 en Bakkers, R., Het Koninklijk Nederlands-Indische Leger voor en gedurende zijn strijd tegen de Japanse invasie, typoscript z.p., z.j. [1947], 2-7.

[13] Teitler, G., Voorlopers van het VPTL, 1928-1829, Militaire Spectator 170 (2001), 268-274.

[14] De defensiegrondslagen van 1927, Teitler, G., (red.), De val van Nederlands-Indië, De Bataafsche Leeuw, Dieren 1982, 57.

[15] Handelingen Staten-Generaal, Zitting 1873-1874, Koloniaal Verslag van 1873, 6-7, en 24.

[16] Voogt, L., Een politionele eend in de Indische militaire bijt. Voorgeschiedenis, oprichting en formatieve fase van het Korps Marechaussee te Aceh (1890-1896), Mededelingen van de Sectie Militaire Geschiedenis Landmachtstaf, 8 (1985), 15-38.

[17] Lohnstein, Marc, Bataljons Marechaussee op Java, Museum Bronbeek Blog, July 24, 2015, https://www.museumbronbeekblog.nl/

[18] NL-HaNA, Koloniën, 1850-1900, 2.10.02, inv.nr. 6212, Verbaal 26 augustus 1892 P12, brief Legercommandant aan gouverneur-generaal, Hoofdkwartier Batavia, 22 juni 1891, Kabinet Zeer geheim Lt. L, scan 613-618.

[19] Niet te verwarren met de brigade of half sectie van 18 man.

[20] NL-HaNA, Koloniën, 1850-1900, 2.10.02, inv.nr. 6213, Verbaal 26 augustus 1892 P12, brief Legercommandant aan gouverneur-generaal, Hoofdkwartier Batavia, 22 juni 1891, Kabinet Zeer geheim Lt. L en Kroon, Onze weermacht, 15.

[21] W., Vijftien jaren divisieverband, Indisch Militair Tijdschrift 68 (1937) 2, 859-860; Encyclopædie VI, 546; Tricht, A.G. van, Samenstelling en organisatie van het Nederlandsch-Indische Leger, Wetenschappelijk Jaarbericht 7 (1921). Indische Krijgskundige Vereeniging, Boekhandel Visser & Co., Bandoeng 1922, 4-8 en Staatsblad 1922.

[22] L-HaNA, Koloniën / Geheim archief, 2.10.36.51, inv.nr. 374, brief Legercommandant aan Gouverneur-Generaal, Bandoeng, 27 november 1931, Departement van Oorlog, VIIde Afdeeling A, Generale Staf, No. 92/VII A. Zeer Geheim-Eigenhandig en Nortier, De Japanse aanval op Java, 46-47.

[23] Lohnstein, Marc,The Netherlands East Indies Campaign 1941–42. Japan’s Quest for Oil, Osprey Publishing Ltd., Oxford 2021, 31.

[24] Lohnstein, Marc, Royal Netherlands East Indies Army 1936-42, Osprey Publishing Oxford 2018, 20-21.

[25] Lohnstein, Marc, Royal Netherlands East Indies Army 1936-42, Osprey Publishing Oxford 2018, 9-10.

[26] Lohnstein, Marc, Royal Netherlands East Indies Army 1936-42, Osprey Publishing Oxford 2018, 14-15 en 23.

[27] Koloniaal Verslag van 1889, 42-43; Koloniaal Verslag van 1904, 125; Koloniaal Verslag van 1908, 91; Koloniaal Verslag van 1912, 55; Koloniaal Verslag van 1913, 43; Koloniaal Verslag van 1914, 39-40 en Koloniaal Verslag van 1915, 57.

[28] Koloniaal Verslag van 1926, 45; Indisch Verslag 1931, 367-368 en Indisch Verslag 1935, 382-381.

[29] Leidraad Commandovoering, LD I, Koninklijke Landmacht, ‘s-Gravenhage 2000, 18-23.

[30] Voorschrift voor de uitoefening van de politiek-politioneele taak van het leger (V.P.T.L.) uitgave 1924, D.v.O. VII A. No. 9, Topografische Inrichting, Batavia 1924, artikel 2, 3 en 5.

[31] Nederlandse Defensie Doctrine, Defensiestaf 2019, 94.

[32] Museum Bronbeek, 1994/06/10-3, Reinderhoff, G.L., Notitie’s Kon. Ned. Indisch Leger, Melbourne juli 1942, 30 en 40.